Dinsdag 28 juli
’s Morgens vroeg moeten we op een onredelijk tijdstip ons bed uit. Gelukkig is’t voor de goeie zaak, anders zou er zeker enig protest geklonken hebben. Na eerst een korte tussenstop gemaakt te hebben in De Wilgen om Resy op te pikken hebben we onze weg richting Zaventem verder gezet. Om drie uur ’s ochtends (voor zover je dat al ochtend kan noemen natuurlijk) stoot je nog niet op veel verkeer, dus waren we al snel op onze bestemming. Snel afscheid nemen van vokke en met onze koffers de luchthaven binnen. Onder de professionele begeleiding van Resy is gates vinden, inchecken en bagage droppen al een veel minder grote en onoverkomelijke opgave. Een paar uur vliegen en een tussenstop van een half uurtje in Caïro later (naast een vriendelijke, maar zagerige, Franstalige lerares/winkelbediende, die vond dat de vlucht toch echt langer duurt zonder gezelschap dan met …) landen we schijnbaar midden in de Sinaï woestijn bij Sharm El Sheik. De zalige warmte overvalt ons meteen op onze korte wandeling van het vliegtuig naar een busje, dat ons ( om ons bij voorbaat pijne voeten en zagerige Franse dames te besparen) richting paspoortcontrole brengt. We vullen nog wat papieren in, twijfelen even of we een groot of een klein visum moeten nemen en wachten dan geduldig op onze bagage (na minstens vijf keer onze identiteistkaart te hebben laten zien aan nors uitziende, onverstaanbare Egyptische mannen ). Nadat die, gelukkig, heelhuids waar bij zijn eigenaars is aangekomen springen we opnieuw een bus in en rijden we (de helft van de tijd slapend) naar ons hotel. Ook daar moeten we weer door een metaaldetector (deze keer zonder piepen), maar we worden wel vriendelijk onthaald met een drankje en naar onze kamer gebracht door een Egyptenaar die duidelijk hoopte op fooi. Resy is benoemd tot Queen en ik word prinses. Reden te meer om mij zo goed als de gang weer in te sleuren, want de queen mag toch wel éérst de kamer binnen Nadat we ook nog eens tot zijn familie (big sister en little sister) blijken te horen én Resy duidelijk een functie van big boss uitoefent in het echte leven, wijst Resy hem, met fooi in zijn hand, subtiel de deur. Het hotel ziet er ruim en mooi uit en de kamer nodigt bijna uit om ze de hele vakantie niet te verlaten. Er is natuurlijk nog héél wat te verkennen, dus doen we dat toch maar. We wandelen even het inmense hotel door, op zoek naar iets te eten (want het was al wel drie uur!) en stoten op het zwembad. Na een korte blik op de zee besluiten we dat we die de volgende dag gaan ontdekken, trekken we terug richting kamer en duiken in ons zwempak. Het zwembad móésten we toch nog geprobeerd hebben. Na een verfrissende duik in het geweldige zwembad wandelen we op’t gemakske terug naar onze kamer, fatsoeneren ons en gaan dan naar een van de vele restaurants. Het buffet vind ik ronduit indrukwekkend. Er zijn verschillende soorten rauwe en warme groenten, meerdere soorten rijst, vlees, vis en pasta, massa’s brood, typische streekgerechten, koude pla, sauzen, … Het dessertenbuffet is zo mogelijk nog machtiger dan het gewone en ligt vól met alle mogelijke soorten en kleuren gebak. Er is ook fruit, pudding, ijs, fruit, … Met oog op mijn, op vakantie meestal zwakkere, maag doe ik rustig aan en besluit ik niet in een keer alles te proberen. Ik heb nog negen dagen om te eten wat ik wil!! Meer dan voldaan, maar wel héél moe nemen we nog snel een kijkje buiten het hotel en vertrekken dan terug naar onze kamer. Ik lees nog wat, laat het thuisfront weten hoe geweldig het hier is en val dan als en blok in slaap.
Woensdag 29 juli
Meteen de eerste nacht zalig slapen in een vreemd bed is niet van mijn gewoonte. Blijkbaar worden de gewoontes hier al snel overbrugt Ik heb heerlijk geslapen en word wakker van Resy die de gordijnen open schuift, zodat ik ook meteen zicht heb op de staalblauwe hemel en een paar ruisende palmbomen (klinkt toch ideaal??). Na een kattewasje en een kort dillema over hoe chique je eruit moet zien voor het ontbijt in een vijfsterrenhotel, vetrekken we weer richting restaurant. Het ontbijt is al even imposant als het avondeten. Gekookte eieren, omeletten naar keuze, worstjes, groenten, brood, gebak, cornflakes, fruit, verschillende soorten kaas, … Het is er echt allemaal. Opnieuw ga ik voor het vertrouwde, experimenteren kan later nog Zo snel mogelijk trekken we onze zwemspullen aan, stoppen onze snorkels in een strandtas en haasten ons richting beach. Niet veel later hangen we met onze poepen in de lucht en de rest onder water naar de vissen te staren (resultaat: een verbrande kont!!!) Zoiets machtig heb ik nog nooit gezien. Vissen in alle mogelijke kleuren en maten, die weg- en opduiken tussen het koraal of die zo dichtbij komen dat je ze bijna kan aanraken. ’t Is moeilijk te omschrijven of vast te leggen hoe mooi zoiets is, maar het is dus écht heel mooi. Ik geniet met volle teugen en vind het jammer dat we terug uit het water moeten. In het hotel wacht de hostess op ons met uitleg en excursieplannen. We leggen al het een en ander vast en duimen voor Caïro. Uiteindelijk hebben we op de luchthaven toch gekozen voor een klein visum, maar nu blijken we, met een groot visum, toch naar daar te kunnen. De hostess vertrekt met onze paspoorten en foto’s en probeert iets voor ons te fixen. Na ’t middageten, dat opnieuw heel lekker is, duiken we terug onder in de Egyptische onderwaterwereld en blijven we daar langer hangen. Terwijl ik vanmorgen nog niet óver het koraal durfde te zwemmen (en dus op een veilige afstand boven de grote dieptes bleef), waag ik me nu al iets meer over het reef. Zoiets mooi heb ik echt nog nooit gezien. Na een zout-verwijderende duik in het zwembad en een tijdje droog liggen worden in de zon, waggelen we terug naar onze kamer, verfrissen we ons en gaan eten (zo klinkt het alsof we niets anders doen dan zwemmen en eten … Wat ook wel een beetje klopt, tot hiertoe ). Nadat we ons weer even buiten het hotel hebben gewaagd en daarbij de taxi’s als vliegen van ons af moeten kloppen, nestelen we ons op de kamer. Ik schrijf een brief, resy zet wat foto’s op de computer, we lezen een beetje … En opnieuw slaap ik zoals een … palmboom (‘k weet niet of ze hier roosjes hebben )
Donderdag 30 juli
‘k Heb opnieuw zalig geslapen. Deze bedden doen wonderen (of misschien ligt het aan de warmte en de vele indrukken). Na het ontbijt proberen we een taxi te pakken te krijgen. Waar we gisteren maar hoeften te zwaaien of er stond er een voor onze neus, hebben we nu niet veel keuze. Taxi nummer 13 vraagt dan ook véél te veel geld voor de rit die we maken en die zien we, ondanks zijn belofte om te wachten waar hij ons afzette, niet meer terug. We zijn wel bij old market, hij kende in elk geval de weg. Ik ben onder de indruk van de sfeer daar. Alles lijkt heel armzalig, de straten zijn vuil, er wordt vlees gesneden onder een afdakje … En toch heeft het allemaal iets. Ook ben ik verbaasd over de manier van verkopen hier. Die mannen sleuren je ongeveer hun winkel binnen, stoppen je vanalles in je handen en dwingen je bijna om iets te kopen. Ze pakken het handig aan, met complimentjes en cadeautjes, veel geslijm en brede glimlachen En uiteraard trap ik er met beide voeten in. Gelukkig dat Resy er toch is om te helpen afdingen. Uiteindelijk loop ik rond met een aantal souveniertjes en besluit ik géén verkopers meer aan te kijken en al zeker niet meer te glimlachen Ook in het hotel is er zo een verkoper, die zelfs het lef had om aan mijn poep te zitten!! Die gun in al helemaal geen blik meer waardig, ondanks zijn vriendelijke uitnodiging om eens thee te komen drinken. Vanaf het poep-moment sluip of ren ik voorbij zijn winkeltje, of doe ik alsof ik héél druk aan het communiceren ben met Resy Doordat mijnheer de taxi-chauffeur meer dan genoeg aan ons verdient had moesten we op zoek naar een nieuwe, wat geen probleem was. Deze meneer vroeg veel minder, maar gaf wel te weinig wisselgeld. In elk geval was old market dus weer een ervaring op zich. Postkaartjes koop ik toch maar aan’t hotel, daar zijn ze net iets minder opdringerig! Na ’t middageten begeven we ons opnieuw richting zee. Deze keer krijg ik Resy’s fototoestel in handen en geniet ik nog méér van al het moois. (‘k vergeet wel elke keer te ademen als ik een foto trek, of ik ga te diep onder zodat mijn snorkel volloopt, zodat ik na elke foto proesten boven water moet om deftig te ademen ). Uiteindelijk sloeg de uitputting toe en waggelden we nog snel naar ’t zwembad om het zeewater eruit te weken, waarna we zijn neergeplofd op onze stranstoelen om er een tijdje niet meer uit te komen. Je mond heeft na een dik uur snorkelen echt wel wat recuperatietijd nodig Nadat al onze gepekelde lichaamsdelen droog en warm waren zijn we nog even onder gedoken in het gedeelte dicht bij de kust. ’t Eten blijft even lekker, de mannen blijven even grappig, het uitzicht blijft even mooi. Na het eten leg ik de laatste hand aan m’n brief, schrijf ik snel mijn kaartjes en kijk met Resy een film. Véél te laat val ik in slaap, maar gelukkig is in slaap vallen hier geen probleem (ik slaap zelfs voor Resy het licht uit doet!!).
Vrijdag 31 juli
Of je nu thuis bent of op vakantie, opstaan is altijd (ALTIJD) een probleem ondanks het feit dat slapen hier uitzonderlijk makkelijkelijk gaat en ik dus mijn uren slaap wel haal, geraak ik deze morgend niet uit mijn bed. Na een aantal keer kreunen dat ik op ga staan en toch weer terug in slaap vallen, besluit Resy mij maar te laten slapen en trekt alleen naar het restaurant. Als ik wakker word liggen er dan ook wat hartige koekjes, koffiekoekjes, een gekookt ei en een peer op mij te wachten. (Al een geluk dat Resy nog wat voor mij zorgt!) Jammer genoeg blijkt het uitslapen niet zomaar uit het niets te komen, ik ben gewoon een beetje verhit. Met de nodige hoofdpijn, héél weinig honger en (nog steeds) moe, kruip ik toch pas tegen de middag uit bed en strompel mee richting middagmaal. ’t Is jammer dat ik altijd geveld word door de temperatuur, want er is hier héél wat te zien (en een dag binnen ziten is dus verspilde tijd). Ook na het middageten krijg ik mezelf niet genoeg opgemonterd om op stap te gaan en blijft Resy dus (noodgedwongen) bij mij. Om vier uur worden we aan de receptie verwacht voor een excursie, maar even relaxen gaat nog net voor we moeten vertrekken. Hoewel slapen voor Resy niet zo vanzelfsprekend is, liggen we al snel te ronken. Gelukkig laat het oerinstinct (of onbewust tijdsbesef) van Resy ons niet in de steek. Om tien voor vier schiet ze wakker, schudt ze ook mij overeind, grabbelen we wat spullen bij elkaar en haasten ons naar de receptie. Nét op tijd. We hijsen ons een busje in en na nog een tussenstopje bij een ander hotel, rijden we al snel door de woestijn en tussen de bergen. Na een half uurtje rijden, door een machtig landschap, komen we bij de dromedaris-parkeerplaats. Uiteraard stonden/lagen/hingen/… daar dus massa’s dromedarissen, maar het krioelde er ook van de bedoeïnen en kleine kinderen in lange gewaden, met hoofdoeken en sjaals rond hun hoofd, die allemaal héél geïntereseerd waren. Nadat we door de gids twee dromedarissen en een bedoeïen kregen aangewezen die ons door de woestijn zouden leiden, werden we in het zadel geholpen. Ik had weer eens geluk en kreeg een comfortabel plekje met véél dekens over het harde houden rugstel. Resy had minder geluk en had al na de eerste paar stappen een pijne poep . Ik heb echt genoten van het ritje. Mijn grote schrik voor onleefbare temperaturen bleek onterecht. ’t Was niet heel warm en er stond een aangenaam windje. Ook ’t uitzicht was indrukwekkend. We reden recht door de Sinaï-woestijn, tussen de bergen door, met af en toe een schraal boompje. De bergen zien er extreem ruw en woest uit (als bergen al woest kunnen zijn, waren deze het zeker!). We kregen wel allebei de kriebels van de bedoeïn die onze dromedarissen in bedwang hoorde te houden. Die mepte er duchtig op los en deinsde er niet voor terug om meer dan een keer om geld te vragen. Lichtjes verontwaardigd over de dierenmishandeling kwamen we aan bij het “bedoeïnenkamp”. We werden naar een paar tapijten en kussens op de grond onder een tent gebracht en kregen meteen een beker thee (die overigens héél lekker was!!). Nadat iedereen volledig geïnstaleerd was volgden ook de waterpijp en de uitleg van de gids. Egyptenaren die Nederlands spreken zijn doorgaans al lachwekkend, deze draaide dan ook nog eens een berg (flauwe ) mopjes door zijn verhalen heen. Resultaat: geslaagd. Na de boeiende uiteenzetting van mijnheer de gids ontstaken de locals een vuur, zetten er een soort metalen wok overheen en brachten bolletjes deeg aan, waar wij dan, als vrouwen, brood van “moesten” maken. We hebben allemaal hard gelachen en nog harder geaplaudisseerd om ons vruchteloze pogingen om even mooi te krijgen als de bedoïen zelf. Nadat iedereen zijn eigen bolletje deeg had misvormd en we allemaal ook een stukje hadden geproefd beklommen we een heuvel en keken naar de zonsondergang. Die was magnifiek. ’t Is niet op foto vast te leggen hoe knap zoiets is (hoewel we dat uiteraard wel geprobeerd hebben), die zon die tussen de bergen verdwijnt en de meest machtige silhouetten laat zien. De nodige oe’s en aa’s en lege batterijen later draaien we ons allemaal om en brullen de naam van alle aanwezige meisjes de woestijn in. De echo’s waren al even machtig als de bergen zelf, zo luid heb ikze nog nooit gehoord. (En als beloning voor mijn kennis over de vijf zuilen van de Islam mocht de mijne eerst ) Nadat ook die indruk gepasseerd was werden we naar de bazaar geleid. Een paar piepschuimen bakjes op de grond, vol handgemaakte juwelen en hebbedingetjes. Uiteraard liet ik me ook hier weer gaan en kocht, nog maar eens, een souveniertje voor iedereen. Ondertussen werd de barbecue aangestoken en kregen we allemaal een van de piepschuimen bakjes om ons avondmaal uit te eten. ’t Was uiteraard geen maaltijd waar de plaatselijke oliesheiks zich tevreden mee zouden stellen, maar om midden in de woestijn te staan vond ik het best lekker. (Misschien wel goed dat de enige verlichting uit kleine kaarsjes in halve waterflessen bestond, want, eerlijk is eerlijk, eten in piepschuimen bakjes zien er automatisch al niet bepaald apetijtelijk uit!) Niet lang nadat we ook onze frisse fles cola (die totaal niet thuis hoorde in het totaalplaatje) leeg hadden gemaakt werden we vriendlijk verzocht om ons rond het vuur te scharen, waar de plaatselijke bevolking al druk bezig was met trommelen op jerrycans, enthousiast handen klappen en op een lichtelijk vrouwelijke manier “zingen” (want ontdanks hun mannelijke ego hebben sommige van die kereltjes een héél hoge stem ). Lichtelijk onder de indruk van een van de gangmakers, liet ik me rechtsleuren uit mijn makkelijke houding (matten van dromedarishaar kúnnen comfortabel zitten!) en deed mijn uiterste best om de min of meer spastische beweging van de bedoein in kwestie te volgen. Aantrekkelijk en juist was het waarschijnlijk niet, maar ’t was in elk geval leuk. (Je hoort me niet klagen over ’t feit dat foto’s trekken in het donker niet zo vlot gaat, want ik hoef niet persé een herrinnering aan mijn geweldige dansoptreden). Met een rood hoofd probeerde ik nadien ook nog de verklaring van een van hun liedjes te volgen. Iets met veel lalalalala en ete ete ete, dat blijkbaar ging over een man die een meisje tegenkomt en hélemaal ondersteboven is van haar onaardse schoonheid (en haar uiteraard meteen ten huwelijk vroeg, of zoiets ). Nadat mijn hart terug een ietwat normaal tempo aannam (en het abnormale tempo kwam door het dansen, NIET door de danspartner) moesten we al snel volgen naar een nieuwe gids, die ons alles zou vertellen over de sterrenhemel. Ondanks de vrij felle maan vond ik het zicht prachtig. Eerst keken we door een telescoop naar “la voile du lait” (de melkweg dus, maar de aanwezige fransen wisten niet precies wat de juiste franse vertaling daarvoor was. Nota aan mezelf: opzoeken als ik terug thuis ben ), de maan en Jupiter. Daarna mochten we ons allemaal op onze rug op een paar tapijten leggen en kregen we nog wat uitleg over de grote beer, de plaats van de noordster, the summer triangle (want in de winter is er een andere driehoek), enzovoort. Moe, maar méér dan voldaan placeren we ons in het busje richting hotel. Ik was al aan het overwegen om stiekem achter te blijven, want ik heb echt vollop genoten van deze ervaring!!
Zaterdag 1 augustus
Als ik wakker word ben ik nog steeds vrolijk om gisteren. ’t Was echt heel leuk. We kleden ons snel aan en genieten nog maar eens van een lekker ontbijt. Resy vind dat ik meer moet experimenteren (waar ze gelijk in heeft, ik ben in EGYPTE!!!), dus leg ik minstens iets onbekend op mijn bord (wel elke dag hetzelfde onbekende, maar soit, het is voor het idee ). Na het eten gaan we naar de winkeltjes naast het hotel. Daar hebben zo goed als afgesproken met een van de winkeliers die ons met “I know people from belgium always keep their promis” bijna dwingt om nog eens een kijkje te nemen in zijn winkeltje. Gelukkig was dat al het plan geweest, anders hadden we ons wel heel omkoopbaar gevoeld. We wisten op voorhand héél goed wat we wilden kopen. Resy slaat een voorraad dure, maar goede hibiskus in, ik koop een zakje safraan (zodat vokke eens échte rijstpap kan maken ) en appelthee in, die zo lekker riekt dat ik er bijna high van word! Na een tijdje afdingen, mopperen, nee schudden en ongelukkig kijken komen we een prijs overeen en zijn we van plan te vertrekken, maar the brother van onze sympathieke verkoper vind dat we toch even naar zijn uitleg over het parfum moeten luisteren. We moeten niks kopen, écht niet, gewoon éventjes luisteren. Één ding is zeker, Egyptenaren kunnen verkopen. Het nodige gesnuif en geblaas later komt mijnheer met zijn gladde speciale aanbiedingen af (alleen voor ons, niet verder vertellen!!) en trap ik er nóg maar eens in! Het rook lekker, was echt voordelig én ik wilde nog een souverniertje voor mijn zussen. Ik probeer mezelf er dus ook echt van te overtuigen dat ik die fles parfum (Arabian night of zoiets, het klinkt zelfs lekker) volledig uit mezelf gekocht heb en dat ik in de verste verte niet vatbaar ben voor de trucjes van de verkopers hier. Nadat we onze aankopen veilig in onze hotelkamer hadden gedropt en onze zwemspullen bij elkaar hadden gegrabbeld, trotseerden we de zon en trokken naar het strand. Ik ben er echt van onder de indruk hoe het kan dat je telkens nieuwe dingen tegenkomt, op het zelfde plekje. We komen vissen tegen in alle kleuren en maten (en duiden trouw op onze fish index aan welke we al gezien hebben), lopen krassen op van heel wat verschilldende soorten koraal en vinden schelpen die groter zijn dan het hoofd van mijn broertje (die toch een redelijk kopke heeft ). Vloekend op de batterijen van Resy’s onderwatercamera, die het steeds veel te snel opgeven, spetteren we na een hele tijd het water weer uit en laten ons snel opdrogen om niet doornat naar het restaurant te moeten. We eten snel en duiken wéér de zee in. Deze keer botsen we op gigantische scholen kleine visjes, die volgens wel een manier van communiceren móéten hebben. Het is onvoorstelbaar hoe duizenden vissen op hetzelfde moment dezelfde richting uit kunnen gaan. Ik schrik me ook bijna dood van een totaal ongevaarlijke vis die het nodig vind om récht op mijn gezicht af te zwemmen als ik terug onderduik, en er daarbij toch redelijk eng uitziet, zodat ik gil en mijn snorkel uit mijn mond floept, waardoor ik dan weer hoestend boven water kom en niet meer onder durf. Na het snorkelen genieten we van de zon (en besef ik te laat dat ik me toch nog eens extra had moeten insmeren), een boek en een fris glas cola uit de bar. We hadden gepland om naar Naoma bay te gaan na het eten, maar we vertrekken veel te laat terug naar onze kamer en besluiten dat uitstapje dus uit te stellen. In plaats daarvan blijven we op de kamer en kijken nog een film, waarna ik ook weer snel in slaap val.
Zondag 2 augustus
Het is heet, meteen . De kamer uitkomen blijkt een shock, de airco-zone stopt wanneer we de deur uitkomen. Gelukkig valt het ’s ochtends nog mee, dus we eten snel en gaan meteen richting strand. Snorkelen blijft leuk, er zijn elke keer dingen die er de dag ervoor niet leken te zijn (zoals enge vissen die besluiten aan mijn teen te knabbelen, zodat ik me spontaan hoofdpijn schrik ). Ook nu lijken de batterijen van het fototoestel het op te geven vóór we de mooiste dingen kunnen trekken, dus bedenken we het snode plan om de kaart (die nodig is om de electriciteit in onze kamer aan te houden) in de muur te laten steken en te doen alsof we ze vergeten zijn. We laten ons weer gewillig opdrogen (deze keer met zonnecrème) en ergeren ons aan de dj, die weigert een liedje uit te laten spelen zonder er een boel half-arabisch, half-engels doorheen te tetteren. De weg naar het restaurant lijkt langer te worden met elke graad die het warmer wordt, dus we maken een ferme wandeling voor we kunnen eten. Ik besluit na het eten binnen te blijven (omdat ik merk dat mijn handen danig beginnen op te zwellen en dat mijn maag niet veel extra warmte wil tolereren) en hou me dus maar bezig met lezen, douchen en meebrullen met mtv (waar ik spijt van krijg als ik iemand voorbij het open raam zie lopen). Misschien is mtv kijken niet de beste manier om je tijd aan te besteden als je in Egypte bent, maar als Resy later lichtjes verbrand en heel moe binnen komt ben ik toch blij met mijn sun-proof plan. We gaan zo vroeg mogelijk eten en proberen dan een taxi te fixen die ons naar naoma bay kan brengen. Hier zijn de taxi-prijzen zelfs niet vastgelegd, mensen die niet kunnen afdingen zijn hier verloren (en snel blut). Uiteindelijk rijden we mee met een mollige, bezwete taxichauffeur, die probeert nog extra mensen in de krappe auto te krijgen én tussendoor een paar pillen slikt. Wat overigens niet verwonderlijk is, de manier waarop het verkeer hier loopt is niet bepaald rustig. We komen wel heelhuids op onze bestemming aan en worden vriendelijk over de drukke baan geholpen door een jongen die duidelijk een dikke fooi verwachtte (dat kun je hier ongeveer tellen aan het aantal vragen en complimenten). Ik blijf me verbazen over de manier van verkopen hier! ‘k Moet wel toegeven dat het goed is voor mijn budget, ik denk minstens twee keer na voor ik in de buurt van een etalage kom. Lichtjes bedwelmd door de wolken waterpijp-rook, durf ik de uitdaging toch aan te gaan en ik koop, nog maar eens, een souveniertje. Of twee. En wel in een winkeltje waarin meer dan een keer een papier hing waarop stond dat alles aan drie euro was. Zodat afdingen dus niet nodig was. Uiteindelijk ben ik dus toch niet zó dapper. Er zijn hier in ieder geval genoeg indrukken om op te doen, ik kijk constant mijn ogen uit (als ze niet dicht zijn, ik lijk hier overál te kunnen slapen). Resy dwingt mij zo’n beetje om deze keer de taxi te zoeken, dus flakkert mijn gevoel van dapperheid weer op. Na drie chaffeurs diep te hebben horen zuchten en mompelen dat 20 pond écht niet genoeg is om terug naar het hotel te geraken (hoewel we wel met 20 pond tot hier zijn gebracht) komt er een vlotte meneer vertellen dat het geen optie is om zo goedkoop te rijden, maar dat hij ons wel voor 30 mee wil nemen. Hij loodst ons de baan over en zegt dat zijn auto er zo wel aan komt, wat wij op zich al vreemd vonden. Voor de zoveelste keer vertellen we waar we vandaan komen, hoe we heten, of het onze eerste keer is in Sharm en of we al naar Caïro zijn geweest. Meneer Alex is wel origineel, want hij vraagt er meteen bij of ik een vriendje heb en of ik die graag zie (en ik kan op beide een positief antwoord geven, wat ergens wel een geruststelling is) en meldt dat die boyfriend in kwestie een gelukkig man is. Als er iets is dat Egyptenaren goed kunnen is het slijmen. Als er iets is dat ze niet kunnen is het auto rijden volgens de regels. Na een dikke vijf minuten komt “zijn” auto aan. Hij houdt nog netjes de deur voor ons open, vertelt aan de chauffeur waar we naartoe moeten en krijgt waarschijnlijk een percentje omdat hij klanten wist te ronselen. Er waren wel bijna geen klanten meer geweest, we hebben gevreesd voor ons leven . Het is echt MAF hoe de mensen hier rijden. Overal waar een gaatje is wringen ze zich tussen, zelfs als het gaatje eigenlijk niet groot genoeg is. 90 kilometer per uur lijkt stukken sneller als je over de weg zwiept, met het arabisch gebrabbel uit de radio keihard in je oren. En als het niet snel genoeg gaat, of als de andere automobilisten weigeren het uitgekozen gaatje groter te maken gaat de chauffeur aan het toeteren, om niet te stoppen tot hij erdoor is. Ik snap nog beter waarom ik overal strippen pilletjes zie liggen (zenuwen kalmeren zal hier wel meer dan nodig zijn) en betwijfel of de mensen hier kunnen slapen na zo’n adrenalineboost. Ik moet hem nageven dat hij kon rijden, anders waren we waarschijnlijk gierend van ’t lachen onze dood ingereden. Want grappig was het wel .
Maandag 3 augustus
De mens die de wekker heeft uitgevonden mag van mijn part een pijnlijke dood sterven. Of zoiets. De mens die de wake up call heeft uitgevonden nog meer (want de telefoon maakte een scheller geluid dan de wekker). De mens die heeft bedacht dat een papiertje achter het bordje aan de deur volstaat om een verandering van de planning duidelijk te maken, krijgt de pijnlijkste. We staan vroeg op en gaan ruim op tijd ontbijten, stoppen de nodige broodjes in onze zakken en gaan terug naar de kamer, waar we het genoemde papiertje zien zitten en lezen dat we NU aan de receptie moeten staan. We hollen nog snel onze kamer binnen, grissen wat spullen bij elkaar en spurten naar de hal, waar gelukkig nog geen kwaad kijkende mensen op ons staan te wachten. Tien minuten later zitten we in een busje met een paar duitsers en een gids die duidelijk vergeten is dat wij niet duits zijn . We maken nog een grote toer door Sharm om in verschillende hotels mensen op te pikken en stoppen aan een tankstation waar we onze snorkeluitrusting kunnen huren (die wij overigens niet nodig hebben, omdat we er in alle onze haast toch nog aan gedacht hadden die mee te grabbelen). Daarna rijden we verder en stoppen aan een door prikkeldraad omgeven haventje, waar massa’s witte mini-jachtjes aangemeerd lagen. Nadat we onze namen nog snel hadden ingevuld werden we in een nederlandstalige groep onderverdeeld (oef!) en hobbelden we over de steiger naar één van de jachten, de Panorama. We trokken onze schoenen uit en placeerden ons op een schaduwrijk plekje op het dek. We werden meteen verwelkomd door de gids die heel grappig Nederlands sprak en kregen een bekertje drinken door een ober die in het begin zèlf geen zeebenen had (en dus met zijn bekers smeet voor hij ze ons gaf). De gids legde ons uit dat we drie stops zouden houden op de mooiste snorkelplekjes in de buurt, waarna we ons op onze bankjes legden en genoten van het machtige uitzicht. We bleven langst de kust, dus hadden bijna altijd zicht op de bergen en het water sméékte zowat dat we erin zouden springen. Onze eerste stop was meteen in Ras Mohammed en we zwommen, onze ogen uitkijkend, achter de gids aan, die ons af en toe bijzondere dingen aanwees. De tweede stop was bij een eiland, waar we na de snorkeltoer ook twintig minuten “vrij” kregen. We zetten ons in het ondiepe water en kregen al snel gezelschap van de zee-gids (we hadden er meerdere, één voor op de jacht, twee voor in het water) die volgens mij een oogje had op Resy. Haar snorkelstijl werd in ieder geval uitvoerig bestoeft! Na de normale vragen vertelde meneer ook nog over zijn zeeschildpad in de grot naast zijn huis, glunderde terwijl hij sprak over zijn job en pijnigde onze hersenen met raadsels over eilanden, brand en schapen (ik ben trouwens van plan die te onthouden, ze waren lekker moeilijk ). Toen besloot hij dat het tijd was om terug te gaan en kregen we aan boord eten dat was klaargemaakt op de barbecue. ‘t Was best lekker, als je eraan dacht dat het op een bootje midden in de zee was klaargemaakt. Toen onze magen waar gevuld waren voeren we verder en stopten nog een keer. Ik vond de laatste stop het mooiste en keek nog maar eens mijn ogen uit naar de enorme scholen vissen in ’t knalrood en de enorme scarus gibbus (een pukkelkoppapegaaienvis of zoiets, ’t klink lelijker dan het eruit ziet) die vlak onder mij rustig aan het koraal hing te knabbelen. Nadat we allemaal afgespoeld en in onze handdoeken gewikkeld terug aan boord waren kregen we nog fruit, dat trots opgediend werd door een van de kinderen van de toeristen aan boord (Hugo, vergeet die mijnheer daar niet hé lieverd!) en applaudiseerden we luid voor de gids, kapitein en chef kok van dienst. Niet veel later stonden we weer met onze voeten op veilige grond en reden terug naar het hotel. ’t Was weer de moeite waard, we hebben heel wat mooie dingen gezien, een relaxe dag gehad én mijn benen zien weer een tikkeltje bruiner. Na snel te hebben gegeten zijn we allebei als en blok in slaap gevallen, nog nagenietend van deze plezante dag!
Dinsdag 4 augustus
Soms is niksen minstens even leuk als bezig zijn. Vooral omdat niksen weinig energie kost, maar toch een verzadigd gevoel kan geven. En ’t is gek hoe je ook van niksen moe kan zijn. Uitslapen is praktisch onmogelijk als je met iemand op de kamer ligt die bij het ochtendgloren direct haar bed uit springt om een bad te nemen, schelpen uit te spoelen of een boel getik te veroorzaken op de laptop. Wat uiteraard een voordeel is, want het zou schandalig zijn om te lang in bed te blijven als er buiten bed zoveel te beleven valt. Of als je kan niksen . We waren dus (naar mijn normen) vrij vroeg ons bed uit en zijn gaan ontbijten, om ons dan demonstratief op het strand de placeren en meteen ligstoelen in te palmen voor ons getweetjes. Vastbesloten om onze witte plekjes nog te laten bijkleuren lig ik nog véél te lang met mijn bleke benen in de blakke zon. Knalrood en lichtjes kreunend is een frisse duik dus echt wel nodig. We springen (of kantelen, ’t is maar hoe je ’t ziet) het zwembad in en blijven daar zo lang mogelijk hangen. Rustig de andere badderende mensen bekijkend en druk nadenkend over de badpakken van de islamitische vrouwen (die nog meer stof bevatten dan mijn zomerkleren) koelen we weer lekker af, om daarna terúg in de zon te liggen. Omdat we allebei wel doorhebben dat knalrood niet echt flateert trekken we ons op tijd rug in de schaduw. Ik lees hier als een gek, gewoon om af en toe de vriendelijke/oprdingerige Egyptenaren die passeren te kunnen negeren. ‘k Moet wel eerlijk toegeven dat, nu ik het eenmaal gewoon ben, de complimentjes en glimlachjes en knipoogjes best goed zijn voor mijn ego. Ik kom met een zelfbeeld thuis dat drie keer zo groot is als hetgene waarmee ik vertrokken ben (wat niet bepaald positief is voor mijn vriendje, volgens mij zijn mijn eisen een beetje verschoven ). Na het middageten, dat weer even lekker is als altijd, maar waarvan ik maar een klein beetje binnenkrijg (een banaan en een peer dus, om het beestje bij zijn naam te noemen), hernemen we onze voormiddag-activiteiten. Die dus bestaan uit zwemmen en zonnen. Als de warmte me toch een beetje te veel wordt en Resy besluit om voor de laatste keer het rif te gaan verkennen, wandel ik op ’t gemakske terug naar de kamer, daarbij de snack’s en de bar niet te vergeten (want een banaan en een peer volstaan dus duidelijk niet om de hele middag op te teren). Ik bel nog snel even naar huis om te melden hoe geweldig het hier is en begin aan mijn laatste boek. Gelukkig dat we hier nog maar twee dagen zijn, mijn leesvoer raakt stilaan op. Als Resy ook genoeg krijgt van het snorkelen en me hongerig meesleurd naar het restaurant verplicht ik mezelf meer en gevarieerd te eten (een banaan, een peer en een appel dus … Nee … Ik ben aan ’t liegen. Ik heb veel gegeten én enorm geprofiteerd van het dessertenbuffet door alle mogelijke vormen chocoladetaart te nemen)!
We zijn allebei keimoe van het totaal niets doen vandaag, dus we kruipen al snel onder onze dekens en vallen, voor héél efkes, in slaap.
Woensdag 5 augustus
Ik neem mijn extreme vervloeking van de wekker en wake up-call weer terug, blijkbaar heb ik geen een van de twee nodig om wakker te worden. Uit angst om te laat op te staan vind mijn biologische klok het nodig om mij ongeveer om het uur wakker te laten schieten, verdwaasd op de klok te kijken en geïrriteerd snuivend terug in slaap te vallen. Als om kwart voor zes uiteindelijk een van de hotelmensen belt om ons (“goodmorning, this is your wake up call”) vriendelijk te wekken, ben ik bijna blij . We kleden ons aan, proppen onze rugzak vol en wandelen netjes op tijd naar de receptie om onze breakfast-box op te pikken. Als het van travco niet veel later voor de inkom stopt springt dezelfde gids als met stars and dinner eruit om de deur voor ons open te houden en krijgen we een stralende (creapy) glimlach van de chauffeur. Die vriendelijke Egyptenaren toch!! Ze blijven me verbazen! We pikken opnieuw nog wat mensen op in andere hotels en rijden dan de woestijn door naar het sint katherina klooster. ’t Is een eind rijden en ons slaaptekort laat zich gelden, waardoor ik een paar keer pijnlijk met mijn hoofd tegen de ruit knal omdat ik nogal onbeheerst beweeg als ik slaap (waarna ik het slimme besluit neem om mijn hoofd op een veilige afstand van de raampjes te placeren, met het gewenste effect). We stoppen op een plekje langst de weg, waar een klein gebouwtje en wat tenten staan en waar we ons ontbijt op kunnen eten. Daarna rijden we weer verder, terwijl de gids ons wijst op onze schoonheid (slijmbal!!) en bergen in de vorm van een dromedaris. Tussendoor worden we ook nog eens tot halt geroepen door een bende militairen met schietspullen aan gordels rond hun kont, die, volgens de gids, al veel te lang, veel te alleen in de woestijn zitten en dus show wilden verkopen. Ze waren van plan om in alle busjes die er stonden (en dat waren er wel een paar) te gaan tellen hoeveel volk erin zat. Onze gids liet zijn gezag gelden en nadat hij een keer luidruchtig “kwoelootzak” (op z’n arabisch Nederlands) had gebruld en ons had gemeld dat hij een beetje maffia was, mochten we zonder tellen door. Niet veel later kwamen we aan bij het klooster. De gek die besloot om midden in de woestijn en tussen de bergen een klooster te planten verdient de doodstraf en mateloze bewondering! Want knap was het zeker wel. Vijfentwintig oude kereltjes, in lange zwarte kleren en met lange baarden bevolken het klooster en hun leven bestaat uit werken en bidden. We krijgen de katherinabergen te zien, de put van mozes’ schoonvader, de schedelkelder (lekker luguber), de duim van Katherrina herself, de brandende braamstruik (die gelukkig niet meer brandde) … Nadat we uitdrukkelijk te horen hadden gekregen dat we éventjes onze mond moesten houden wandelden we ook snel door de kerk zelf, waar twee vervaarlijk uitziende monniken bezig waren met een van hun twee dagtaken (bidden dus, werken in een kerk is niet echt logisch). ‘k Was wel weer onder de indruk van de symboliek die overal achter schuilging … Elk sterretje op het plafond, elke pilaar, elke stoel had zijn eigen betekenis. We kregen een half uurtje vrije tijd en Resy en ik besloten naar de bibliotheek te gaan, die na het vaticaan de grootste ter wereld zou zijn. Als ik een meesterdief zou zijn en de intentie zou hebben gehad om iets uit die bibliotheek te pikken was ik meteen stinkend rijk geweest. Uiteraard ben ik geen meesterdief en heb ik ook geen gemene intenties, dus ik ben nog steeds vrij blut. In elk geval hingen er daar dingen van onschatbare waarde. Ik beslefte pas hoe onschatbaar toen de monnik die de administratie zat te regelen de deur sloot en ons heel geniepig meetroonde naar het eerste zaaltje. Hij liet ons bepaalde verborgen dingen in een schilderij zien, vertelde iets over de symboliek van bepaalde iconen en trok, over zijn schouder kijkend of niemand het zag, zelfs een paar foto’s. Wat dus écht niet mag. Buiten bidden en werken houden monnikken zich dus ook bezig met regeltjes omzeilen. Nadat we hem vriendelijk bedankt hadden mocht de deur weer open, waar een hele reeks ongeduldige toeristen en gidsen stonden te wachten. We hebben dus weer héél veel geluk gehad. Na onze, niet echt christelijke, foefelarij hebben we nog iets gedronken en zijn we terug in het busje gesprongen. Op weg naar Dahab zijn we weer gestopt om te eten in een holiday and diving resort, midden in de woestijn, waardoor ik me afvroeg waar in de woestijn die mensen zouden gaan duiken. Niet tegenstaande mijn oprechte verwarring vond ik het eten heel lekker en de bediening heel vriendelijk (ik snap echt nog steeds niet van die vriendlijkheid hier. Misschien moeten we de Belgen een voor een naar hier sturen voor een cursus hoe-ben-ik-sociaal-en-sympathiek). Nadat we ook hier weer hadden genoten van het dessert reden we verder naar Dahab, waar we in de Ramses Bazaar uitleg kregen over hoe papyrus wordt gemaakt en veel te veel geld uitgaven aan mooie onbenulligheden. Ik kocht wéér souveniertjes (wat verieuwend) en Resy betaalde na lang twijfelen een mooie hanger. Ik begin te wennen aan het verkoopsysteem en het lukt me al om een beetje af te dingen (door gewoon te zeggen dat ik niet meer zoveel geld heb. Dat is niet eens gelogen). Met een zo goed als lege portefeuille rijden we door naar Dahab centrum, waar we even langst de dijk flaneren en ons dan door de gids laten uitnodigen in Al Capone, een cafeetje met uitzicht op Saoudi Arabië aan de overkant van het kanaal. We tetteren een beetje met onze mede-toeristen en worden door Nehab getrakteerd op een cola (de blikjes zijn hier trouwens veel efficiënter … Watch and learn, Europa). We rijden terug naar ’t hotel, geven meneer de gids en meneer de chauffeur een dikke fooi en ploffen op ons bed. We springen wel meteen weer recht, want de laatste ponden moeten worden uitgegeven. Ik koop nog een mooie armband voor mezelf (die ik uiteindelijk niet in pond, maar in euro betaal), waarna we tevreden gaan eten. Ons laatste avondmaal in Egypte. ’t Was hier ronduit geweldig. Ik denk dat ik mezelf ga aanbieden als goedkope werkkracht hier, want ik wil gerust nog wat langer blijven!